Ingezonden: Persoonlijke herinneringen aan het Asserbos

25-03-11 Plekken en namen in en bij het Asser Bos.

Al meer dan dertig jaar fiets ik bijna dagelijks door het Asser Bos. Meestal ga ik langs de Hoofdlaan maar bij mooi weer en als ik geen haast heb fiets ik ook graag via de bospaden naar huis of naar de stad. Ik durf rustig te zeggen dat ik het Asser Bos, één van mijn favoriete plekken, ken als mijn broekzak. Ondanks dat ik een jongen van ’over het het spoor’ was maakte ik er al vroeg kennis mee. In 1947 zette ik er mijn eerste stapjes, op het Sportpark waar Achilles voetbalde. Mijn vader was daar dag en nacht en hij nam me vaak mee. Zelfs als er niet werd gevoetbald gingen we er op zondagen met ons gezin naar toe. In vakanties deden we dat ook wel. In allerlei plaatsen even kijken bij het voetbalveld!! De vroegste foto waarop ik kan lopen werd op het Achillesveld gemaakt.
In 1954 werd ik  padvinder en deden we ons ‘spel’ in het bos.  Bovendien ging ik in die tijd  ’s morgens voor dag en dauw bij mijn vader achterop de fiets naar het zwembad om mijn diploma’s te halen. Van hem leerde ik namen zoals Nassaulaan, Hertenkamp, Hoofdlaan, Rondeel, Rode Heklaan, Nieuwe Vijver, en Tivoli. Bovendien begreep ik al snel dat de weilanden en voetbalvelden achter het bos in of op het Stadsbroek lagen. Vorige week zag ik een stukje in de krant waarin de journalist het over de Stadsbroek had. Niet begrepen dus!
Gedurende de volgende jaren leerde ik er nog veel meer plekjes en namen kennen. Na 1958 trokken we met onze biologieleraar meester Kroeze door het bos, leerden van hem de geluiden van allerlei vogels kennen en controleerden we nestkastjes. En vanaf 1961 trainden we er met de lopers van AAC’61. En sinds 1975 woon ik achter het bos in Baggelhuizen. In gedachten zal ik weer eens langs de plekken lopen waaraan ik herinneringen heb, om te vertellen wat ik er nog  van weet of wat ik er inmiddels van op heb gestoken door vele jaren archiefonderzoek naar de plaatselijke geschiedenis.

het Oude Bos

Vooral door de padvinderij leerde ik het bos kennen. ‘s Zaterdagsmiddags liepen we er vanuit de Oosterhoutstraat, waar toen nog het troephuis van de ‘Zwervers’ was, naar toe. We struunden dan eerst door het zogenaamde ‘Oude Bos’. Daar stonden de hoogste bomen, vooral veel kanjers van eiken, vele eeuwen oud.  Een beetje rare aanleg was het daar bij de ingang. Links een lang smal pad met de naam Touwslagerslaan waar ooit de draaitoestellen voor het slaan van touw waren opgesteld, naast een sloot met halverwege een bruggetje in het pad dat de eerste kleedklopperij verbond met de tweede. Die kleedklopperijen waren open plekken waar vroeger de knechten en meiden van Asser notabelen in het voorjaar de kleden kwamen kloppen en luchten, was het verhaal. Maar, dacht ik altijd, notabelen hadden toch grote tuinen bij hun huizen? Die hoefden toch niet met hun kleden naar het bos te sjouwen. Misschien waren het juist niet de notabelen maar de gewone inwoners die in de buurt van het bos woonden of die geen tuin hadden die van de kleedklopperijen gebruik maakten.  Als padvinders speelden we vooral op de eerste kleedklopperij, achter de RHBS, vaak met touwen waarmee we van boom naar boom zwaaiden en één keer per jaar werd daar de dag geopend waarop we in uniform mochten lopen om zoveel mogelijk  ‘heitjes  voor karweitjes’ te verdienen. Nu kun je beide plekken nauwelijks meer terugvinden. Jammer!
Aan de andere kant van de sloot lag de brede Johan Hoflaan, toegangsweg naar de ijsbaan van de vereniging Voorwaarts, waar ik met mijn ouders lid van was. Vlak voordat je bij de ijsbaan was, aan het eind van de laan ging je naast het witte bruggetje in de Touwslagerslaan via  een dam over de Bosbeek die ooit ontsprong in de buurt van het huis De Lariks. Toen het laatste stuk van de Vaart van Kloosterveen tot aan de Kolk  in 1780  werd gegraven werd de beek er eerst via een duiker onderdoor geleid. De duiker heeft het in de loop der jaren begeven waardoor het water beek sindsdien bijna niet meer stroomt. Per abuis staat er op een info-bordje vermeld dat de beek vroeger Vulsloot zou hebben geheten. De Vulsloot had z’n oorsprong bij de markegrens met Peelo en liep door het Nijland (vandaar ook de naam Nijlandsloop), de tuin van Overcingel en het Aardscheveld naar het Anreperdiep.
De Bosbeek vormde de grens van het Oude Bos met het andere, in de late achttiende eeuw opnieuw aangelegde westelijke deel. Nooit heb ik gehoord dat het  voorbij de beek het Nieuwe Bos heette. Daar zag je aan je linkerhand de ijsbaan liggen met het prachtige sfeervolle restaurant met rieten dak waar je  ’s winters met je vrienden en vriendinnen lekker rond  de grote kolenkachel kon zitten met een glas hete kwast. Intussen zaten de bestuurders in een aparte ruimte sigaren te roken en borrels te drinken. Hele dagen ‘vergaderden’ ze daar. Ik zie de heren Wijnbergen, Wagenaar en Mulder nog zo voor me, ze groetten iedereen die aan het raam voorbij liep. Zij hoorden ook bij de ‘Mannen van Assen’, bekend van de TT. De mooie ijsbaan had echter één nadeel. Als het begon te vriezen duurde het vanwege de beschutte ligging veel langer voordat hij openging dan de banen in Kloosterveen, Witten, Peelo en Anreep. Dat was een bron van ergernis want je werd er als lid van ‘ Voorwaarts’ behoorlijk mee gepest. Elk jaar weer. Soms ging ie helemaal niet open vanwege invallende dooi. Dan grepen we er in Assen gewoon naast. Maar als ie eenmaal opende was het mooiste baan van Nederland! Er zijn in loop der tijd ook belangrijke wedstrijden gehouden.  Ik herinner mij een Nederlands kampioenschap waarbij op de tweede dag de dooi weer eens roet in het eten gooide. Er was zoveel water op het ijs dat er niet verder geschaatst kon  worden. Wim van der Voort werd naar aanleiding van de resultaten van de eerste dag uitgeroepen tot Nederlands kampioen. De legendarische Kees Broekman was ook van de partij. Die kon toen op zijn favoriete tien kilometer de zaak dus niet meer naar zijn hand zetten. Hij accepteerde het als een heer! Tegenwoordig weet ik dat het groenland waar de ijsbaan lag vroeger ‘Het Goor’ heette. De laan die er vanaf de Witterstraat naar toe loopt heet dan ook de Goorlaan.
Eind jaren vijftig werd naast het clubgebouw van de ijsvereniging, op een terrein van de voormalige gemeentekwekerij een nieuw onderkomen voor de Zwervers II gebouwd, in 1960 gevolgd door een troephuis voor de Zwervers I. Tegenwoordig zitten ze daar na een fusie nog zij het in nieuwe gebouwen vanwege een brand in 1976. In mijn welpentijd omstreeks 1957 maakte meneer Van Emstede mooie houten, met de hand gesneden naambordjes met een mannetje met een knapzak er bovenop. Ze stonden jarenlang langs de belangrijke paden. Die bordjes hebben al lang het loodje gelegd. Intussen staan er nieuwe. Maar daarom wist ik toen al dat er lanen waren met mooie namen zoals Twaalfuurslaan, recht naar het zuiden, de Haarlaan, naar de Haar en de Roldertorenlaan, raaiend op en misschien ooit wel met zicht op de kerktoren in Rolde. De  naam Brandlaan bestaat sinds 1834 toen ter plekke een grote brand woedde. En zou de Kloekslaan, ooit de toegang naar de Kommerkamp,  naar een persoon verwijzen? En Vleugellaan? Wie het weet mag het zeggen. De  Eenboomslaan is waarschijnlijk oud, gaat terug tot de tijd waarin het  bos op die plaats op één boom na verdwenen was. Kazernelaan en Sportlaan zijn relatief jonge namen en spreken voor zichzelf.
We gaan nu over het dijkje langs de ijsbaan  via de in 1836 gegraven Oude Vijver naar de Beilerstraat. Zowel hier als bij de Nieuwe Vijver ligt een heuvel. Dat was niet alleen maar een modeverschijnsel om bij vijvers heuvels aan te leggen maar je loste er vooral een probleem mee op. Namelijk waar blijven we met de grond! In het Pelincksbos aan de Steendijk lagen bij de vijver twee heuveltjes en op het voormalige landgoed Amelte ligt er een naast een gegraven eendenkooi.

langs de Beilerstraat

Op de Beilerstraat gaan we naar rechts waar we een eindje naar het zuiden bij een gedeelte van het bos komen met de bijzondere naam ‘Eerste Steen’. Dit  was ooit een particulier stuk bos van de familie Oosting dat zich aan beide kanten van de Beilerstraat uitstrekte. Na een uitbreiding en aanplant met dennen kreeg het goed de naam Dennenoord. Nu staan er links, als een herinnering aan die tijd nog de historische duiventil en een theekoepeltje met een sfeervol vijvertje tussen enorme bossen rododendrons. En wie goed rondkijkt vindt hier nog delen van het oorspronkelijke padenplan terug.  In mijn jeugd heette het inmiddels opnieuw uitgebreide gebied oostelijk van de straat Port Natal.  Rechts van de weg staan twee huizen waarvan Oosting het witte huisje met het jaartal 1789 op de gevel in 1813 heeft gebouwd!  Het westelijke gedeelte  van de Eerste Steen  is nog goed herkenbaar aan de padenstructuur die daar anders is dan in de rest van het bos. De naam gaf aan dat daar ooit de eerste mijlsteen lag op de weg van Assen naar Beilen. Het woord mijlsteen is echter verwarrend omdat deze stenen of palen in de tijd van Oosting  al kilometers aangaven. Dit suggereert dat de naam Eerste Steen pas na de Franse tijd is ontstaan want voordien was er sprake van echte mijlen van 1487 meter. Een eventuele echte mijlsteen zou dus ruim vierhonderd meter verderop bij het begin van de Roldertorenlaan hebben moeten liggen. Het landgoed was dus precies een kilometer verwijderd van de Brink. De volgende steen lag bij de brug over het Anreper Diep.
Even verder lag links, vlak voor de toenmalige Dennneweg het café van de dames Eleveld, drie zussen. Zij waren de reden dat hun etablissement in de volksmond de ondeugende naam ‘De zes Billen’ kreeg. Die naam werd door sommigen wel eens verward met ‘De Drie Paaltjes’ waar we straks langs lopen. Ze hadden het dan over de ‘Drie Billen’! Achterop het land van de zussen lag een tennisbaan. Op de topografische kaart van 1896 staat daar Tikkerij…!? 
Tegenover het café passeren we eerst de in de oorlog gegraven tankgracht en daarna de Zuider Begraafplaats. Daar liggen naast vele bekende Assenaren zoals Klaas Brok en zijn vrouw Henriëtte Troelstra,  (de zus van Pieter Jelles), de opa en oma van mijn moeder begraven. Opa heeft een grafsteentje waarin slechts ‘vaders graf ’ staat gebeiteld. In die tijd een modeverschijnsel want er zijn nog veel meer stenen met slechts vaders  of moeders graf  als vermelding. Niet handig voor latere familie zoals ik, die opa’s rustplaats proberen te vinden.

omgeving Roldertorenlaan en Rode Heklaan

Nu slaan we linksaf de ‘Roldertorenlaan’ in. Na een paar honderd meter zien we rechts de ’Rode Heklaan’ die uitkomt op de Witterstraat en daarmee de langste weg in het bos is. Waar het gesuggereerde hek stond weet ik niet.  Het lijkt logisch dat het bij de Witterstraat zou zijn, een van de  ingangen van het bos. Als we de ‘Rode Heklaan’ ingaan maakt ‘ie na een paar honderd meter een opvallende knik naar links. Op de Franse kaart van 1812 is te zien waarom. De weg, toen nog een zandpad, stuitte daar op particuliere grond, de Kommerkamp. Bij de aanleg van de laan was de eigenaar niet genegen geweest om een weg over zijn land toe te staan! In dit gedeelte van het bos zag en hoorde ik tot een aantal jaren geleden regelmatig boomvalken. Zij hadden hun nest in het open dennenbos links van de weg. Na het passeren van de tankgracht komen we bij de bekende (Grote of Nieuwe) Zevenster waarop gek genoeg acht paden uitkomen, net zoals bij de minder bekende (Kleine of Oude) Zevenster aan de Hoofdlaan en bij die ten westen van Het Rondeel, in de buurt van de Witterstraat, die overigens niet uit de tijd van de aanleg van het bos dateert! Vanwege de aanleg van de Gouverneurstuin in de jaren zestig moest er een pad  worden opgeofferd en werd dat dus de enige echte zevenster in het Asser Bos!
Nu is ook duidelijk dat de vroegere naam Sterrenbos de weerslag is van de stervormige padenstructuur die toen in de mode was. Zou de heiligheid van het getal zeven bij al die Zevensterren een rol hebben gespeeld, net zoals bij de vele plekken met de naam Zeven Heuveltjes? Bijna overal zijn het meer of minder en maar zelden zeven! Op het voormalige negentiende eeuwse landgoed Amelte lag ook zo’n achtarmige zevenster. Dat  was, misschien niet geheel toevallig, het eigendom van de zoon van Wolter Hendrik Hofstede, de ontwerper van het nieuwe Asser Bos.  
Welke Asser jongen kent niet die karakteristieke ster midden in het bos, waar je als het donker was geworden het liefst met je meisje naar toeging. Het was daar op mooie zomeravonden een drukte van jewelste. Dat was geen bezwaar want er waren vlak bij elkaar genoeg bankjes zodat je elkaar mooi kon aanmoedigen. Wie alleen wilde zijn ging maar even verderop naar het vrijerslaantje.
Op de Zevenster gaan we scherp linksaf de Haarlaan in. Daar was in mijn padvinderstijd dichtbij de Roldertorenlaan aan de rechterkant een oude dennenaanplant die het Reigerbos werd genoemd. Hoog in de bomen wemelde het van de nesten. Uiteindelijk kan echter geen boom een reigernest weerstaan en in de jaren zestig werden de oude bomen geveld en vervangen door jonkies. Lagere schoolleerlingen plantten het dries liggende stuk bos weer in. Eén van die leerlingen was mijn vrouw.  De laatste jaren ontwikkelt zich een dergelijke broedplaats bij de Hertenkamp waar de Nassaulaan overgaat in de Hoofdlaan. Houd die bomen de komende tijd maar eens in de gaten als de kolonie zich uitbreidt. ’s Nachts, in het voorjaar is het daar een lawaai van jewelste.
Even voorbij de plek waar de Haarlaan de Roldertorenlaan kruist loopt een stroompje dat door ons de Loop werd genoemd. De vreemde strook bos ten noorden van de Loop heette in de achttiende eeuw nog het Swynholt. Daar dreven de boeren hun varkens in vanwege de eikels. Hier kun je als je er de tijd voor neemt de Zwarte Specht zien, die nu niet meer zo zeldzaam is als in mijn jeugd. De Loop vormt de afscheiding van het bos met het groenland. Om op de Haarweg  te komen moest je dus over een bruggetje. Voor het bruggetje stonden drie paaltjes die de naam aan die plek gaven. De Drie Paaltjes was een begrip. Daar was je helemaal achterin het bos. Vlak over het bruggetje lag een kleine open plek die ik ken als Geitenweitje. Daar hebben we heel wat zaterdagmiddagen doorgebracht met het bouwen van ingenieuze touwbruggen. Dichtbij het Geitenweitje, iets meer naar het westen lag een groot weiland met de naam Paaskamp, oud bezit van het erf Paeschen in Witten. Tegenwoordig wordt de Paaskamp doorsneden door de zuidelijke rondweg. Als je er naar toe wilde moest je weer over een beekje, een aftakking van De Loop. Die beek met de geheimzinnige naam het Zwarte Laken stroomde door de Twij(f)fel en dan langs de Joodse begraafplaats naar het Anreper Diep. Wat moest ik me voorstellen bij het Zwarte Laken? Toen een raadsel maar nu weet ik het. De oorspronkelijk naam is namelijk zwatte lake, waarbij zwatte staat voor grens en lake voor stroompje of beekje. Grensbeek dus. Gaf eens de grens aan tussen de marken van Witten en Anreep. Vroeger een  omstreden grens waarover eeuwen gebakkeleid is. In Nederland komen op vele plekken namen voor met zwart of zwarte ervoor, vaak in combinatie met water. Meestal duidt zo’n naam op een oude grens en niet op de zwarte hoedanigheid van zo’n plas. In de uitgestrekte Drentse heidevelden lagen legio vennen met de naam Zwarte Water. Zelfs één op de grens tussen Assen en Peelo. De Zwartwatersweg herinnert daar aan. De naam DeTwijf(f)el, nu het Twijfelveld,  is ook op de herrie over de grens terug te voeren evenals de Wilde Schutstal even verder op langs het Witterdiep achter de voormalige boerderij van Ubels. Daar werd vreemd vee geschut dat volgens de Wittenaren binnen hun markegrenzen liep. Na betaling van de schutkosten kon je je koeien terugkrijgen!
Net achter de Paaskamp was nog een intrigerend plekje; het vrijerslaantje, helemaal aan het voeteneind van het bos. Doodstil was het daar natuurlijk, vandaar. Soms koekeloerden we daar wel eens. Spannend. Ik fiets er nog vaak langs maar het is er niet meer stil en er zijn nooit meer vrijers. Behalve dat het nauwelijks meer te herkennen is kun je er, behalve na halsbrekende toeren, ook niet meer komen want het wordt bijna helemaal omgeven door stroompjes en brede sloten. Het vrijerslaantje was vroeger het achterste deel van de Roldertorenlaan die daar doodliep op de weilanden met de naam Boskampen. Als je daar doorheen ging kwam je op de Julianaheide, op mooie zondagen een geliefde picknickplek voor Assenaren. In de jaren vijftig werd daar de begraafplaats met de logische naam Boskamp aangelegd. Julianaheide was ook mooi geweest.
Vlakbij is in de loop der jaren een alternatieve  vrijersplek ontstaan. Eén waar je dankzij de rondweg zelfs met de auto kunt komen. Veel handiger dus dan vroeger. Ik zie daar echter alleen maar mannen!

‘Cocksenlaantje’ en Sportpark  

Terug langs de Bosrand, op de grens van bos en Sportpark  waar de voetbalvelden van Achilles en Asser Boys lagen en van niet meer bestaande clubs met exotische namen als Quickness, Upward en Atilla en nu van AAC’61 en ACV. Behalve Bosrand had die lange laan nog een naam, niet officiëel maar toch een die het noemen waard is. Als kind hoorde ik Achillianen spreken van het ‘Cocksenlaantje’ omdat daar ’s zondags Asser gereformeerden stiekem naar het voetballen stonden te kijken onder het mom van een boswandelingetje. Het hoeft wat mij betreft niet met een bordje te worden aangegeven maar het is wel leuk om te onthouden.
Achter de velden van Achilles lag het zwembad. Het ‘diepe’ met twee duikplanken waar sommige soldaten salto’s maakten, met ‘één meter tien’, waar je ’s morgens voor dag en dauw na een kwartier koukleumen van badmeester Bosma eindelijk aan de hengel mocht, met ‘één meter vijftig’ voor de zwemmers met alleen A en met die spekgladde overloop van de voorverwarmingsvijver en met het pierebadje dat achterlangs al die andere baden lag, met een strandje en een ligweide. In alle baden zag je vissen zwemmen, van groot tot klein. Wilde je een ijsje dan kocht je dat in de kantine onder de tribune, bij Frits Beekman. In dat mooie zwembad haalde ik 1955 mijn A en . Met Adriaan Paardekooper kon ik het verst onder water zwemmen. Op mooie dagen was ik er niet weg te slaan. Soms was ik al buiten het hek om naar huis te gaan als ik me toch nog bedacht… Vlug  terug om er nog één keertje in te duiken. Het akelige gevoel van het aantrekken van een natte wollen zwembroek nam ik op de koop toe net zoals het standje dat ik van mijn moeder kreeg als ik weer eens te laat was.
Het voetbalveldje aan je rechterhand als je via de Broeklaan naar de Hoofdlaan fietste had volgens mijn vader in zijn jeugd een  bijzondere naam. Alang alang zeiden ze er toen tegen. Maleis voor een grasveld met lang gras. Weer zo’n leuke ‘naam’ om te onthouden. Op het alang alangveld was de toegang voor iedereen vrij, vandaar dat er altijd veel jongens naar toe trokken. Verderop bij de Hoofdlaan lag vroeger rechts de uitspanning Tivoli op het terrein van een voormalig dierentuintje.. Een heerlijke plek om even bij te komen en een drankje te nemen voordat je terugging naar de stad, lopend of op de fiets. Op foto’s kun je iets terugzien van de vredige sfeer in die mooie omgeving. Een ruim terras bij een café met een veranda. Behalve het geluid van knerpend grind is de stilte voelbaar evenals de gretigheid  waarmee de gasten op de foto wilden. Met Pasen waren er extra attracties, zoals een draaimolen of een zweef. Daar kwamen de Assenaren massaal op af. We gaan naar Paasland !? zeiden ze dan!  Tivoli heeft het echter niet gered. Al vóór de oorlog was het afgelopen.
In de jaren vijftig is er een openluchttheater met dezelfde naam aangelegd. Dat heeft het maar een paar jaar volgehouden. ’t Leek wel of het juist in die jaren meer regende dan ooit. Sinds twee jaar kun je hier weer in de buitenlucht naar voorstellingen kijken maar wel op kleinere schaal. De schapen van de kinderboerderij zorgen dat het gras kort blijft.

Rondeel en Nieuwe Vijver

Als je van Tivoli naar de stad gaat kom je langs een bekende plek met een onbekende naam. Veel fietsers en wandelaars zullen hier dagelijks langs gaan zonder van het Rondeel gehoord te hebben. Oorspronkelijk is het aangelegd als een soort rotonde voor wandelaars op de plek waar de Rode Heklaan en de Hoofdlaan elkaar kruisen. Vroeger kende iedereen het Rondeel. Op mooie zomerse zondagen gingen flanerende Assenaren hier linksaf richting Nieuwe Vijver en Zevenster. Flaneren kon zowel op fiets als lopend. Arm in arm liepen slierten giechelende meiden de aandacht van fietsende jongens te trekken of andersom. De fiets(t)ers reden tot aan de Zevenster waar ze rechtsomkeert maakten om dezelfde route in tegengestelde richting nogmaals af te leggen en dan nog eens en nog eens. De wandelaars keerden al bij de Nieuwe Vijver of ze namen daar een drankje bij de kiosk op de plek waar nu het monument van Wolter Hendrik Hofstede staat. Met een beetje inschikken konden in die kiosk wel drie mensen een plaats vinden. Maar het ging natuurlijk om het terrasje buiten.
Tot in de jaren tachtig  stonden vooral links van het pad van de Nieuwe Vijver naar de IJsbaan de mooiste beuken van het hele bos. Machtige woudreuzen die daar zoveel ruimte hadden dat ze zich volledig hadden ontplooid waardoor een prachtig bladerdek was ontstaan waarin je heel hoog wielewalen kon horen. Helaas hebben ze allemaal het loodje gelegd en de wielewaal hoor ik ook nog maar zelden. In tegenstelling tot de mensen hebben bomen het steeds moeilijker om gezond oud en groot te worden. De druk op het Asserbos wordt groter en groter en het lijkt ook wel of er vaker ‘goede’ redenen zijn om bomen om te zagen dan om ze te laten staan, zodat het bomenbestand alsmaar jonger wordt. Er wordt  veel te weinig rekening mee gehouden dat het tweehonderd jaar duurt voordat er weer een reus staat. De veel gehoorde opvatting: ‘dan planten we toch nieuwe’ of nog erger ‘dan compenseren we het bomenverlies toch elders’, is maar een armzalig doekje voor het bloeden…
Na deze wat sombere gedachten zijn we terug bij het Goor, de plek waar we de wandeling begonnen, dicht bij het Oude Bos waar de meeste dode eiken staan.

Het gedeelte van het Asser Bos aan de Witterstraatkant van de Hoofdlaan is nauwelijks aan de orde geweest. Ik herinner me daar ook nauwelijks iets dat de moeite van het vertellen waard is. Of het moet al zijn dat ik daar de laatste jaren in de buurt van de Kazernelaan op de open plekken wel eens de havik voorbij zie schieten. En mijn vader kan me ook al niet verder helpen. In tegenstelling tot de Rode Heklaan en de Roldertorenlaan lijkt de Hoofdlaan wel een barrière te zijn geweest voor het erachter liggende bos. Zelfs tijdens de zondagse looptrainingen in mijn atletiektijd staken we zelden de weg over. Soms heel even als we op het rondje bij de Kleine of Oude Zevenster achter elkaar aanrenden om je voorganger in te halen…

 

Naar herinneringen van Roelof Marring, met hulp van zijn vader Albert.
Assen, februari 2011  

 


naar boven

06-10-2010 Vriend

Ik ben er al voor mijn geboorte. Mijn ouders lopen er verliefd rond. Voorouders hebben er zonder twijfel vertoefd. Aanwezigheid vervaagd tot graven op de Zuiderbegraafplaats. Het bos van voor het begin en na het einde
Het begint met ontdekken. Aan de hand van mijn ouders, eendjes voeren bij de Nieuwe Vijver. Op de fiets erheen, wandelen rond de vijver, likken aan een ijsje en staren naar het monument van de oprichter. Het is begin jaren vijftig.
Als ik op zwemles moet, brengt vader mij op zijn fiets naar het oude natuurbad. Over de Nassaulaan, naar het Achilles-terrein. Na een jaar is De Wilg klaar en ga ik op eigen kracht. Nu vanaf de Beilerstraat. In die tijd bezoek ik met de klas het openluchttheater Tivoli.
In ’57 kom ik bij de padvinderij. Bij Zwervers I. Net als vader Jan, in de jaren twintig en dertig. Zijn vriend vervult een voortrekkersrol, hopman Bertus Seidel. Als welp ga ik vaak het bos in. Met akela Van den Berg. Ene ‘Bongel’ gaat mee. Zijn bijnaam doet hij alle eer aan. Hij loopt niet alleen bongelig, hij gooit met bongels naar van alles en nog wat in het bos. Activiteiten die zijn blijven hangen, zijn het bakken van stokbrood bij de Oude Vijver en het maken van stellages met als doel de gracht rond De Boskamp over te komen.
Een keer in de zoveel tijd heb ik patrouilleavond. Daar zie ik lang tegenop. Niet omdat het knopen niet wil vlotten, eerder door van het rijden op de fiets door het nachtelijk bos. Meestal blijf ik aan de Beilerstraat wachten tot er andere welpen komen. Fietsen onder luid gejoel naar het troeplokaal. Voor die tijd zit de troep in een loods van gemeentewerken aan de Witterstaat, vlakbij de Noorderbegraafplaats. Naast de oude gasfabriek.
In ’62 loopt mijn interesse in de padvinderij af, word lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN) en de atletiekvereniging AAC’61. Met beide keer ik terug in het bos.
De NJN controleert jaarlijks de nestkasten. Van menig nest van kool-, pimpel- en kuifmees heb ik de eieren geteld. Samen met Jaap Koolhaas. Maar ook van die van de ‘blauwe specht’ (de boomlever) en van vele roodstaarten. Getooid met ladders vertrekken we van een gebouw aan het begin van de Rode Heklaan.
In die tijd doet AAC ’61 er wintertrainingen. Op zondagmorgen verzamelen bij de tennisbaan, naast De Hertenkamp, waar ik dansles volg. Belangrijke man: Albert Marring. Vijftig en voorop lopend in de groep.
En ik kom er met school. Eric Appel leidt ons door het bos voor een bosloop, springend over sloten. Gymnastiek op de Rijks HBS. De noodlokalen van de lagere klassen staan in het bos en dat onze docent Mylanus lokt vanuit het hoofdgebouw mezen met muziek tijdens de biologieles.
Het bos als liefdesnest. Ik denk aan de keren dat ik als leerling van de HBS na een feestje in Bellevue met een meisje in het bos verdwaal. Of aan dat ik uit liefdesverdriet het hele bos door fiets op weg naar huis. Al fietsend heeft mijn liefde de verkering uitgemaakt. Met een ander heb ik er een geheim plekje, vandaag de dag door bulldozers bij de tijd gebracht. En in de winter ga ik er schaatsen, al dan niet in gezelschap.
Als puber wandel ik er met opa Klaas. Vooral rond de Oude Vijver, langs de gebouwen van de padvinderij en om de ijsbaan. Van en op weg naar De Boshof. Pratend over het leven.

ZuiderbegraafplaatsHet is ook een ontmoetingsplaats. Zoals met Harm Brinksma. We bezoeken het theehuis, voor zijn tentoonstelling. Ik heb een boek over hem geschreven. Over zijn alternatieve verzetsdaad in 1970. Hij deed suiker in de tanks van militaire voertuigen.
Het bos is ook de plaats van het einde. Op de Zuiderbegraafplaats liggen al mijn voorouders. Vader, opa en oma op ‘het gouden hoekje’. Met nieuwe buren: de Oostings. Mijn overgrootouders in het perk voor het lijkenhuis. Naast Nicolaas van der Veen, van het warenhuis.
Geregeld onderhoud ik hun graven. Zo keer ik op vaste tijden terug naar het bos. Inmiddels zijn de graven familiegraven. Ik zal er ook zijn als ik er niet meer ben.
Ik sluit af met een gedicht dat ik schreef over de Torenlaan.

De weg naar:

Torenlaon

Met de rog hen riek verleden
zit ik op de Brink,
verdwien ik
in de uutkiek op de laon
In gedachten zwarf ik
langs heur huzen en paleizen

Met een heufd vol aole bielden
kiek ik naor heur staot,
verbaos me
hoe ze slit an het bestaon
Ongemakkelijk giet ze
deur het slagveld van de tieden

Oog in oog met dizze wörst'ling
treur ik um heur bield,
verkeer ik
met het lieden van de laon
Vol erbarmen staor ik
naor de tempel van mien deupsel


(Gedicht in "Voetsporen op de Brink. Een wandeling door Assen in 20 verhalen en gedichten", 2005)

Klaas Koops (1949)

www.klaaskoops.nl

Ingezonden door Klaas Koops

 


naar boven

05-02-2010: Geachte vriend(in) van het Asserbos,

Een onderdeel van de vereniging is het in stand houden van het recreatief schaatsen op de natuurijsbaan in ons Asserbos.
Netjes wordt aan het eind van de herfst het gras gemaaid en de schutsluizen opengezet om de vorst af te wachten. Nu hebben we zo'n winter dat de vorst toeslaat en dat er geschaatst kan worden  maar ook dat het vaak sneeuwt.
Als schaatsfan ben ik, en anderen van ons gezin, vaak één van de eersten die gebruik maakt van de ijsbaan en ook de baan sneeuwvrij maakt om ijs schaatsbaar te houden.
Wat zou het mooi zijn als er meer mensen zouden willen helpen om tegelijkertijd de natuurijsbaan zo goed mogelijk geprepareerd te houden voor het schaatsen.
Wilt u hier ook aan deelnemen? Dan kunt u zich melden bij mij.
Mijn adresgegevens kunt hieronder vinden, zodat we gezamenlijk een sneeuwploeg kunnen vormen om de natuurijsbaan te prepareren voor optimaal (ijs en weder dienende) schaatsplezier in het Asserbos.
Dit initiatief wordt mede ondersteund door mijn buurman Bertus Altena.

Alvast dank,
Jan Bonder
Esstraat 6a
9401 NV Assen
Tel 0592-315964
Mobiel 06-34462594
Mail: bonderjan@live.nl

 


naar boven

- 5 september 2009, Herinneringen omgeving Zuiderbegraafplaats

Naar aanleiding van onze informatie over de najaarsactiviteiten in 2009 ontvingen wij van de heer en mevrouw van Marum de volgende persoonlijke belevenissen in het gebied waar we op 20 september een excursie zullen houden. We willen de heer en mevrouw van Marum hiervoor hartelijk danken.
De redactie

Ik zou u veel kunnen vertellen over dit gebied en de mensen die er gewoond hebben. Ik ben in 1936 geboren en hier in 1938 komen wonen. Mijn vader had een boerderij aan de Dennenweg (nu is dat de Sparrelaan) op deze hoek stond een café van de drie dames Eleveld t.w. Hil, Mien en Sien (bijgenaamd: “de zes billen”) Op dat punt begon de Denneweg en na 150 meter rechtsaf en honderd meter verder stond daar een hele grote kast van een oude boerderij “Turksoord” !
In de oorlog waren we overgeleverd aan de Duitsers voor de organisatie Todt. De boerderij werd voor een deel gevorderd voor het graven van loopgraven en een tankval vanaf de Zuiderbegraafplaats tot aan het spoor. De deuk van de wegversperring kun je nog zien in het verlengde van de huizen richting kerkhof.

We hadden twee evacués uit Wassenaar, vanwege de hongerwinter.
De tankgracht is door de Canadezen dicht geschoven met een Centuriontank met een dozerbord er voor.

huis '1789'Op het huis “Eerste Steen” is nog een lichte bom gevallen, daar woonde Strijker hij werkte op de witte boerderij bij boer Hardering. In het huis “1789” woonde Zwiers.

Wat die Lancaster betreft dit vliegtuig kwam op die bewuste avond brandend recht op ons af maar kwam gelukkig niet bij ons maar bij het zandgat neer.

Tijdens de bevrijding lagen we in een schuilkelder die mijn vader gegraven heeft.
In de tankgracht lagen na de bevrijdingsnacht pantservuisten en ander materiaal ze lieten ze erin liggen. Nu staan de huizen op de tankgracht!

In de oorlog werd er wel op de treinen geschoten, mijn vader stond dan in de deur te kijken (wij moesten met tussen de hooivakken schuilen), tot de kogels over de pannen rammelden en hem om de oren vlogen. Toen kreeg hij het eindelijk ook benauwd.

De Canadezen hadden na de bevrijding een groot kampement in het Port-Natalbos, met o.a. een bakkerij en een schoenmaker.
Daar leerden wij onze eerste Engelse woorden: “Have you choclate for my”. Ze kwamen bij ons ook voor eieren, om de was te laten doen en voor de ruilhandel.

Als u op het kerkhof door de laatste doorgang loopt naar de oorlogsgraven, loopt u na twintig meter tegen de graven van mijn ouders en grootouders resp. Jan v Marum en Jakob van Marum.
We hebben heel veel in het Asserbos gespeeld. Ik meen dat in +/- 1948 het halve bos omgewaaid is. Voor ons toen een prachtig klim- en speeloord en door over al die bomen te klimmen! Op een keer viel er eentje van de bomen bij de Hertenkamptennisbaan in een sloot die vol rottend blad zat, hij moest dwars door de stad en stinken heel verschrikkelijk!!!!!
En blééééééren!!!!

Sinds 1959 woon ik nu t.o. de (voormalige) Marechausseekazerne op Beilerstraat 92 waar we een wegenbouwbedrijf hadden.

Een heel verhaal! Ik hoop dat u er wat aan hebt!

Vriendelijke groeten van
Jakob en Janny van Marum


naar boven

Ontvangen brief van dhr. Wim Boyenga, oud Assenaar

15 februari 2009

Moj,

Ik (Bill (Wim) Boyenga) kreeg van een vriend het boekje 'Asser bos verdient beter!'
het bracht heel wat herinneringen mee natuurlijk. Ik woonde van 1930 tot 1957 in de Bosstraat.
Ben sinds 1964 Australiër, maar mijn hart behoort nog in Assen en Drenthe.
Ik kan wel zeggen dat ik nog zowat elke boom , paadje en stroompje voor mijn geest kan halen. We liepen door het bos, langs de Hertenkamp naar de Emmaschool en later naar de HBS.
We zagen eekhoorns en aten beukennootjes al wandelend langs de ‘kleedklopperij’.

Als kind gingen we vaak met mijn moeder hazelnoten en ook bosbessen en cantharellen zoeken langs de Beilerstraat en bij de Oude Vijver,.
Door het bos liepen wij naar zwembad of naar het Achilles-terrein, er was daar een kraaienkolonie bij het stroompje, en zelfs naar de TT baan, kortom we waren altijd lopend en soms op de fiets.

Later, als je ouder werd, gingen we ‘strunen’ door het bos. Woensdagsavonds (bol avond!) langs de Hoofdlaan lopen op zoek naar wat vertier. Van Bellevue tot zevenster.
Met de welpen voor de oorlog bij Tivoli, Dansavondjes in de Hertenkamp en Bellevue, waar ik in de weekends soms in een band speelde.

Wim Boyenga, back in the Asserbos

Enfin, ik kan er uren over fantaseren natuurlijk. Ik liep met mijn broer op een van mijn bezoeken aan Holland,in 2004, nog door het bos. Bij het bruggetje bij de ijsbaan fotos genomen en ook van die paadjes met die prachtige beuken.

Ik ben nu hier 45 jaar en heb een Australische vrouw. Praat alleen 'Drents' met de supermarktmanager hier, die uut Giet'n komt. Leuk om Drents te praten. Toen het laatst koud was zei ik dat het 'ankrupertiesweer' was. Had hij nog nooit gehoord. Zal wel typisch Assers zijn.

Please, please, geen auto’s door het bos, geen bomen kappen etc. en laat het zo blijven als het is. 'klauwen er van af' zou op mijn bord staan als ik ging protesteren.

Heel veel succes met Uw vereniging.

Wim Boyenga
Australia
(adres bekend bij het secretariaat)


naar boven
Gedicht

’t Wordt alweer stil in het bos …

Vogels zwijgen -
hebben hun lokroep verstomd
hun jongen gevoed.

Nog warmt de nazomerzon mijn gezicht.

Een eekhoorn vlucht -
de onstuimig aanstormende hond
springt verlangend tegen de boom.
Vochtige geuren spinnen zich tussen de bomen,
schimmels en zwammen
zetten hun paddestoel fier boven de grond.
Een kikker springt op uit de herfstige weide,
zoekt met een plons
een veilige plek in de beek.
Dankbaar voor zoveel regen hebben de mossen
hun diepgroene dekens gespreid in een
zachtwarme troost voor vertrekkende kleur.
Ademloos zal ik deelgenoot zijn
van het schouwspel van kleuren
als - éventjes nog –
de bomen het bos laten vlammen
in een explosie van
rood, geel, goud en scharlaken.
Het blad zal de bodem bedekken
een rottende laag voor de
wormen en wortels.

In vochtige geuren
onstuimige wind en heftige regens
in lichterlaaie voor het seizoen

wordt ‘t alweer stil … in mij

Els van den Berg
september 2007


(dit gedicht is gemaakt in opdracht van het vaktijdschrift “Tuin & Landschap”
en is gepubliceerd in nr. 20 op 27 september 2007)

naar boven
Lees hier de jeugdherinneringen van Henk Blaauwbroek

Naar aanleiding van een bezoek van dhr. Henk Blaauwbroek aan onze website kregen we van hem op 25 maart 2007 een verhaal toegezonden.
De redactie heeft de vrijheid genomen om het verhaal in een ietwat gewijzigde vorm u hier aan te bieden. De cursieve tekst tussen aanhalingstekens is de oorspronkelijke tekst van de heer Blaauwbroek zelf.

Via een zoekprogramma op de computer kwam de heer terecht op de site van de vereniging Vrienden van het Asserbos. En op Geschiedenis van het Asserbos zag de heer een foto met daarop het bruggetjes over de voor hem bekende gassloot.

Oude vijver

De gassloot was een sloot die behoorlijk stonk, naar mijn weten stond hij niet in verbinding met de gasfabriek die op de Witterstraat stond. Ik ben er een paar keer in gevallen en ik stonk dan ook vreselijk erg. De oorsprong van de sloot is mij niet bekend. Hij liep langs de Hertenkamp in de richting van de oude vijver. Waar hij ter hoogte van de Boschkamp onder de Beilerstraat door liep om aan de  rechterkant van de weg langs de boerderij die daar stond (of nog staat) in de richting van de Anreperstraat te gaan. Als ik het mij goed herinner heet die straat de Feldstraat/weg of iets in die richting.
De oude vijver ligt ten noorden van de boschkamp. Vroeger en dan spreek ik over de jaren 50 was de boschkamp nog weiland. De mooiste herinneringen die ik als klein jongetje had was, dat wij jongens uit de Oosterhoutstraat bijna dagelijks waren te vinden in het bos. Wij kwamen altijd bij elkaar bij de K.B. boom. Dit was een grote eikenboom aan de rand van de oude klopperij. Wij hadden twee kleedklopperij's”  Een kleedklopperij lag evenwijdig aan en
vlak bij de Beilerstraat/ Touwtrekkerslaan.  “De tweede lag pal aan de andere zijde, dus in de richting van de Boschkamp. Bij de eerste kleedklopperij waren wij vaak te vinden. Als wij s'middags uit school kwamen spraken wij daar meestal af. Het mocht alleen zolang het licht was. In het donker was het te gevaarlijk volgens onze ouders. Dan liepen soms griezels door het bos. Want een eind verderop op de Beilerstraat stond immers "Licht en Kracht".
Wij waren meestal met ons vieren. daarna trokken wij verder het bos in. Vaak speelden wij ter hoogte van de zevensprong. Bij de zevensprong liep een brede sloot, die werd de tanksloot genoemd. De tanksloot was een brede sloot, meestal stond die droog, hij was te vinden voorbij de zevensprong in de richting van het voetbalveld van Asserboys. De sloot was omgeven door laag hangende dennentakken. Wij konden ons daar heerlijk verstoppen. Het was daar een vrij donker gedeelte van het Asser bos. Vooral tijdens het onweer wanneer wij in het bos speelden lagen wij daar vaak op de grond. Aan de rand van het Asserbos lagen de voetbalvelden van Asser Boys en Achilles. Daar tussen in lag het natuur openluchtbad. De kleedkamers zaten aan de kant van de hoofdtribune van Achilles.

Ongeveer 150 - 200 meter vanaf de Beilerstraat lag de oude ijsbaan, daar stond vroeger een groot onderkomen bij waar men binnen kon genieten van de kachel en wat warms kon drinken. Dit onderkomen had een mooi rieten dak. ‘s Zomers deed het wel eens dienst als woning (als noodopvang). Aan de zijkant lag een brede loopplank waarover men met de schaatsen aan naar binnen kon komen. Er werden diverse wedstrijden gehouden waaronder, zoals ik mij kan herinneren, het Nederlandse kampioenschap korte baan. Vaak was de ijsbaan niet langer dan een week of twee open. Ook daar waren wij vaak te vinden, vooral wanneer het ijs onbetrouwbaar werd. Langs de baan stonden vaak grote houten sleden waar men het overtollige sneeuw mee afvoerde naar de achtkant van de ijsbaan. Deze werden dan door ons verder het ijs opgeduwd met alle gevolg dat men daar niet bij konden komen wanneer het ijs volledig was gesmolten. U leest het goed wij waren toentertijd echte kwajongens. Het was een heerlijke tijd. Eén ding was zeker er werd niets vernield. Men wist meestal met wie ze te maken hadden. Het was altijd dezelfde groep die in het bos aan het spelen was. Het water voor de ijsbaan kwam volgens mij van de Vaart af. Deze liep langs het kerkhof
(de Noorderbegraafplaats) die vlak achter de Vaart was gelegen. Als ik mij goed kan herinneren lag deze tussen de Emmastraat en de Wittestraat in. Het water liep dan in de richting van de restaurant van de Hertenkamp het bos in. Het water van de ijsbaan werd toentertijd afgevoerd langs de boschkamp in de richting van de Anreperstraat.  ' s Zomers liepen soms wel koeien op de droge ijsbaan.


Klik hier voor een vergroting! Wanneer er sneeuw lag speelden wij vaak bij de oude vijver. Je kon er heerlijk met de slee naar beneden glijden al dan niet op het ijs dan wel langs de andere kant. Wanneer het ijs dik genoeg was gingen wij met z'n allen vaak schotjes lopen op het ijs. Het was de kunst om niet nat te worden. We liepen vaak naar het eilandje die midden in de vijver lag. Soms zakte er wel iemand door het ijs en dan was het lachen geblazen. Het liep altijd goed af. Behalve voor één persoon. Zo ook deden wij dat op een zondag. Eén van onze vrienden mocht niet op zondag buiten spelen. Hij ging toch stiekem mee en ja hoor hij zakte door het ijs. Tot zijn middel en hij moest natuurlijk naar huis. O, O wat zal er gebeuren. Weken daarna hoorden wij het pas. Hij mocht niet meer met ons spelen in het winterbos.
Is de eenden vijver er nog? Die lag midden in het bos. Het was omgeven door prachtig groen grasveld. In de zomer was het daar ontzettend druk. Prachtige eenden en later kwam daar nog een volière bij met prachtige fazanten en andere vogels. Ook daar kon je heerlijk in de winter op het ijs lopen, toch werd het ijs vaak kapot gemaakt door de boswachters en zijn hulpen, dit uiteraard voor de eenden. wij hadden immers de oude vijver voor ons.
Het Asserbos is en blijft voor mij altijd een goede herinnering. Wij konden er fijn spelen, soms achterna gezeten door de boswachter die toen aan de Wittestraat woonde. Helaas heb ik geen naam van die boswachter. (Dit was de heer W. Eefting van 1950 tot zijn pensioen in 1974. Bron:  Jan Eefting , Warnsveld in zijn e-mail op 10 mei 2007 aan de redactie van deze website)
Ik weet wel dat hij het omgezaagde hout per mallejan uit het bos liet halen. De mallejan werd getrokken door twee Belgische paarden die ook bij hem op stal stonden aan de Wittestraat.


De groeten van een oud inwoner van Assen.
Henk Blaauwbroek”.

Tot zover de heer Henk Blaauwbroek. Hij schrijft verder dat hij in de Oosterhoutstraat 72b gewoond heeft. In die Oosterhoutstraat stond volgens hem vroeger het padvindersgebouw. Later zijn de padvinders verhuisd naar het Asserbos.
Tot slot wil de heer Blaauwbroek graag nog in contact komen met zijn jeugdvrienden uit de Oosterhoutstraat. Als u op deze oproep wilt reageren stuur uw reactie dan naar het secretariaat van de Vereniging Vrienden van het Asserbos e.o. , Beilerstraat 141, 9401 PJ Assen of per e-mail secretariaat@vriendenasserbos.nl dan zorgen wij ervoor dat uw reactie bij hem terecht komt.

Via deze weg willen wij de heer Blaauwbroek hartelijk bedanken voor zijn boeiende bijdrage.

Heeft u ook ervaringen in of rondom het Asserbos die u met anderen wilt delen dan is uw verhaal  van harte welkom bij het hierboven genoemde adres van het secretariaat

naar boven
Henk Blaauwbroek liep op 5 augustus j.l. met zijn vroegere buurjongen Bert Thijs en wederzijdse echtgenotes in het Asserbos. Hier zijn verslag:

“Bert is een oude vriend van mij. Wij speelden toendertijd altijd in het Asser Bos. We hebben de auto neergezet bij het oude Achilles veld en zijn op de fiets verder gegaan. Rondje Asserbos. Eerst langs de nieuwe vijver, toen langs de steen waarop de oprichter van het Asser Bos staat afgebeeld. KB-boom?Vervolgens in de richting van de Hertenkamp. Langs de Hertenkamp in de richting van de oude kleedklopperij. Daar hebben wij onze fietsen neergezet. Zijn echtgenoot bleef bij de fietsen staan. En wij, Bert, Willy mijn echtgenoot en ik op zoek naar de klimboom, de voor ons bekende KB-boom.

Al zoekende kwamen wij op een plek die wij echter niet hadden verwacht. bosbewoners?Wij kwamen enkele bosbewoners tegen. Zittend op de grond. Twee buiten de tent en één in de tent. Het is daar één grote vieze bende. Volgens ons wonen zij daar al een enige tijd, gezien de omgeving waarin zij leven. Ik sprak één van hun aan. Hij vroeg ons wat we hier kwamen doen. Ik legde hem uit dat wij op zoek waren naar een voor ons bekende boom. Nou was zijn antwoord er staan bomen genoeg. We hebben ons omgedraaid en zijn daar weggegaan. Ik weet niet hoe jullie daar op reageren, maar mijn gevoel is dat dit niet hoort. Ik stuur jullie hierbij de foto van de voor onze bekende boom.
Henk Blaauwbroek en Bert Thijs

Ik sta links op de foto. Aan de andere zijde staat Bert. Ook tijdens ons fiets- tochtje kwamen allerlei herinneringen weer boven water.